Steun

Abdij Roosenberg

14/10/15 - In het oog van de storm - Heeft het religieuze leven toekomst?

Naar aanleiding van het vertrek van de zusters is heel wat deining ontstaan bij de vele mensen die dichtbij of veraf betrokken zijn geweest bij het leven in de abdij. Het engagement kon klein zijn of groot en heeft in de loop van de jaren veel vormen aangenomen, gaande van tuinonderhoud, poortdienst, materiële ondersteuning tot de succesvolle poging van een groep jongeren om met een nieuwe en internationale dynamiek ook religieuze toekomst aan de abdij te geven. Dat proces wordt hopelijk niet afgebroken. De problemen waar de Roosenbergabdij mee te kampen heeft vinden we echter terug in de brede samenleving. Het is dus een maatschappelijk en binnenkerkelijk debat waard. Wauthier de Mahieu, Jezuïet en antropoloog, schreef een beklijvend artikel over de vraag ‘Heeft het religieuze leven toekomst ? – Heeft onze godsdienst wel toekomst ?’ Het artikel verscheen in ‘Golfslag’, het tijdschrift van de Unie van de Religieuzen van Vlaanderen. We mogen het hier overnemen.


 

Heeft het religieuze leven toekomst? Heeft onze godsdienst wel toekomst? De twee vragen hangen wellicht nauwer samen dan we denken. Het religieuze leven heeft zich immers ontwikkeld binnen de geschiedenis van onze godsdienst. Daarom beginnen we liefst met de tweede vraag. We kijken daarbij naar het evangelie, toch nog altijd onze voornaamste inspiratiebron. Inderdaad, mocht het religieuze leven zoals het vandaag de dag beleefd wordt, verdwijnen, het evangelie blijft toekomst hebben. Indien het geen mensen meer zou oproepen, dan zou het niet het Woord van God zijn. Dat is onze diepste overtuiging.

UIT HET GESLOTEN SYSTEEM STAPPEN

Jezus is heel duidelijk afgestapt van een godsdienst die zich stilaan tot een gesloten systeem had uitgebouwd. Maar blijkbaar hebben wij, mensen, het moeilijk om onze vertrouwde levensstijl los te laten. De vraag is echter of dat wel de weg is van het Rijk van God. Juist daarom ging Jezus eerder in de marge van het godsdienstige systeem leven. Wat Hem daarin bleef aantrekken was het beleven van een intieme verbondenheid met onze God, een God waarvan het beeld, vooral langs de profeten en de psalmen, stilaan uitgezuiverd was, zodat Hij in die God ook zijn Vader herkende. Wat Hem veel minder lag, was de manier waarop mensen vanuit dat systeem met elkaar omgingen. Denk aan bepaalde verhalen die Jezus verzon om ons dat duidelijk te maken: de barmhartige Samaritaan (Lc 10:25-37) of het gebed van de Farizeeër en de tollenaar (Lc18:9-14). Of denk aan zijn optreden in bepaalde situaties zoals bij de overspelige vrouw (Jo 8:1-11), bij de roeping van Matteüs (Mt 9:12-13) en bij zovele andere gelegenheden (bv. Mt 12:7).

Waar het voor Jezus allereerst op aankwam was hoe wij mensen, vanuit onze verbondenheid met een God die liefde is, met elkaar in liefde zouden leven. Geen romantische of sentimentele liefde. Neen, een liefde die zich waarmaakt in aandacht en bezorgdheid voor de zwakkeren onder ons, de minstbedeelden, de maatschappelijk uitgestotenen, een liefde die daarom onafscheidelijk samengaat met een diepe zin voor rechtvaardigheid.

GEEN GODSDIENSTIG, MAAR EEN SOCIAAL PROGRAMMA

Nadat Jezus heeft uitgemaakt dat Hij weigert zijn zending te combineren met het zoeken naar eigen profijt, het belust zijn op eerbetuigingen of het verwerven van een machtspositie (het verhaal van de bekoringen in de woestijn; Lc 4:1-13), gaat Hij op zoek naar een positieve invulling ervan (Lc 4:16-22). Hij valt hiervoor terug op Jesaja die, samen met Amos, ongetwijfeld een van de meest sociaal bewogen profeten was. Wat Hij zal waarmaken, wat met Hem ‘in vervulling zal gaan’ is – wellicht een beetje verwonderlijk – een sociaal programma: zorg voor de armen, de gevangenen, de blinden, de verdrukten. Geen godsdienstig programma. De eredienst wordt er niet in vernoemd. Het gaat om ons samenleven als medemensen van elkaar. Pas als dat goed zit, kan er sprake zijn van tijden die ‘de Heer welgevallig zijn’ (v.19).

Wanneer Jezus aan de man die Hem komt vragen wat hij moet ‘doen om het eeuwige leven te verwerven’, eerst laat horen dat hij de geboden moet onderhouden, en dan specificeert over welke geboden het gaat, haalt Hij enkel geboden aan die betrekking hebben op ons samenleven als mensen : ‘niet doden, geen echtbreuk plegen, niet stelen, niet vals getuigen, uw vader en uw moeder eren, en uw naaste beminnen als uzelf’ (Mt 19:18).Hier ook niets over de sabbat of over verplichtingen betreffende de eredienst. De intrinsieke band tussen het eerste en het tweede gebod ligt immers hierin dat het eerste wordt waargemaakt door het tweede (Mt 22:38-40).

SYSTEEMVORMING

Het gevaar dat elke godsdienst bedreigt, wanneer mensen hem in eigen handen nemen, is dat zij hem tot een systeem uitbouwen. Dit gaat dan op zichzelf draaien, en komt zo naast het leven en naast het samenleven te staan. Soms verzeilt het ook tussen analoge systemen, waaruit men vrij kan kiezen: een godsdienst tussen vele andere. Heel wat mensen krijgen ook een functie binnen deze systemen, op verschillende niveaus en volgens verschillende modaliteiten. Zij zetten er zich wel voor in, dikwijls met veel edelmoedigheid: zoveel uren per dag, zoveel dagen per week of per jaar. Maar daarnaast nemen ze evident ook wat tijd voor zichzelf, een beetje vakantie. ‘Tijd voor jezelf’, daarmee geef je te kennen dat je voor ’n stuk ook buiten het systeem staat, dat je op dat vlak nog niet tot eenheid bent gekomen in je leven en ook niet in je persoon.

Verder is het zo dat er, binnen deze systemen ook subsystemen ontstaan of opgericht worden, die dezelfde weg dreigen op te gaan. (De lezer ergere zich niet aan deze termen:ze zijn er enkel om ons denken te dragen). Het feit dat sommige van deze subsystemen– ik denk aan religieuze orden of congregaties– gesticht werden als correctie op een mogelijke verwording van het geheel, neemt niet weg dat zij aan hetzelfde gevaar blootgesteld zijn.

EEN ACHTERHAALDE TWEEDELING

Om hier niet aan ten onder te gaan moeten we twee dingen goed beseffen. Vooreerst is onze maatschappij al lang niet meer gebaseerd op het scherpe onderscheid tussen het sacrale domein en het profane, met duidelijk overwicht voor het eerste. Toonaangevende wetenschappers als Emile Durkheim en Mircea Eliade hebben met hun respectievelijk socio-religieuze studies en fenomenologische aanpak, aangetoond dat dit onderscheid wel aanwezig was in meer traditionele samenlevingsvormen, zoals dat ook bij ons lang het geval is geweest. Al wat met godsdienst te maken had, haalde zijn verantwoording en gezag enkel uit het feit dat het tot het domein van het sacrale behoorde. Het onderscheid sacraal-profaan is de voedingsbodem geweest voor het klerikalisme en voor andere vormen van doorgedreven tweedelingen, zoals die tussen mannen en vrouwen in hun relatie tot het godsdienstige. Jezus zelf echter heeft door zijn optreden deze vanzelfsprekendheid reeds in vraag gesteld (Mt 7:28-29). Het verdwijnen van deze wereldvisie heeft in het Westen veel van wat vroeger evident was, onderuitgehaald. Gezag dat zijn verantwoording wil halen uit het feit dat het met de godsdienst te maken heeft wordt onmiddellijk gecontesteerd. Alleen authenticiteit geeft nog gezag. En toch hebben heel wat kerkelijke instanties en godsdienstige instellingen deze ommekeer nog niet door. Hun manier van optreden ligt nog volop in de lijn van een visie die in onze wereld heeft afgedaan.

Het tweede punt heeft juist te maken met authenticiteit. Een begrip dat we niet mogen verwarren met het waarmaken van jezelf, met zijn wie je bent. Dat is authenticiteit in kortsluiting. Authenticiteit grijpt naar iets dat je wordt aangereikt van buiten af, en dat zodanig beantwoordt aan wat je in jezelf aanvoelt en beleeft, aan een soort innerlijke gedrevenheid, dat je er jouw levenskeuze gaat van maken (zie terug. Lc 4:16-21). Die levenskeuze zet je dan om in je manier van leven. Blijft die keuze echter steken op het niveau van woorden, dan verval je in hypocrisie, de perfecte tegenhanger van authenticiteit. Een hypocrisie die, zoals Maurice Bellet het stelt in zijn boek ‘Le Dieu Pervers’, zich dikwijls verschuilt achter theatraliteit (zie Mt 23:2-7). Recente voorbeelden moeten we niet ver gaan zoeken: toen men paus Franciscus bij zijn aanstelling rode schoentjes wou aantrekken, liet hij schamper opmerken dat de carnavalperiode voorbij was.

Godsdienst die zich blijft waarmaken vanuit de tweedeling sacraal-profaan en de afgeleiden ervan, heeft geen toekomst meer, zoals een Kerk die op de eerste plaats investeert in de eredienst en in al wat daarmee te maken heeft, wellicht niet meer de Kerk van Christus is. Enkel authenticiteit kan het gezag overnemen dat het sacrale vroeger uit zichzelf had, en aan het christelijk geloof zijn geloofwaardigheid teruggeven. Een authenticiteit die zich allereerst manifesteert in warme medemenselijkheid. Onze huidige paus heeft dat duidelijk ingezien. Hij is een mooi voorbeeld van een persoonlijk doorleefde authenticiteit, dikwijls tegen de zin in van zijn klerikale omgeving.

Doch wat nog sterker aanspreekt is collectieve authenticiteit. Hierin ligt juist de eigen roeping en de onvervangbare bijdrage van religieuzen. Daartoe kan Franciscus enkel oproepen, zoals hij het heeft gedaan tijdens zijn bezoek aan Korea. Maar de religieuzen moeten het wel zelf waarmaken. Ook zij moeten afstappen van het denkbeeld dat zij nog iets te zeggen hebben aan hun omgeving of nog iets betekenen in onze wereld, omdat men hen als eerwaarde pater, eerwaarde broeder of eerwaarde zuster aanspreekt.

DE TEKENEN VAN DE TIJD LEZEN

Op de boekenmarkt verschijnen er heden ten dage zoveel gefundeerde maatschappijkritische werken en rake analyses die aantonen waarom er in ons huidig samenleven zoveel verkeerd loopt. Maar echte oplossingen zijn er meestal niet in terug te vinden. Oplossingen die haalbare middelen aanreiken om de zaken opnieuw in handen te nemen. We lopen enkel achter de feiten aan: criminaliteit willen we aanpakken met ‘meer blauw op straat’, jeugdcriminaliteit met het bouwen van jeugdgevangenissen, en onze milieuvernietigende overconsumptie met het sorteren van afval. Aan de diepere oorzaken wordt nergens geraakt.

Juist op dat vlak ligt de specifieke roeping van religieuzen. Bijna alle congregaties zijn ooit gesticht om in te spelen op bepaalde noden die de maatschappij in die tijd nog niet kon verhelpen: onderwijs, ziekenzorg, opvang van wezen, armenzorg, enz. Vandaag is onze samenleving zo uitgebouwd dat zij dat wel kan. Ondertussen zijn er noden ontstaan van een heel andere aard. De vraag is dan of congregaties, door zich vast te klampen aan hun vroegere werkterrein, niet te weinig attent zijn geweest om‘de tekenen van de tijd’ te lezen. En of zij nog creatief en soepel genoeg zijn om daarop in te spelen, eerder dan een zachte dood te sterven als gevolg van het verdwijnen van hun oorspronkelijke reden van bestaan.

EEN ANDERE MANIER VAN SAMENLEVEN

Er is echter meer dan dat. Als de kwalen van onze maatschappij diepere gronden hebben dan de momentane noden die er de symptomen van zijn, als die kwalen veeleer een gevolg zijn van onze manier van samenleven zelf, dan moeten wij allereerst daar een ommekeer in bewerkstelligen. En dat kunnen we alleen maar door daadwerkelijk én uitnodigend te getuigen dat een andere manier van samenleven mogelijk is, een manier van leven waarbij mensen veel meer betrokken zijn op elkaar, waardoor ze ook gelukkiger worden.

Men zou kunnen denken dat dit laatste een opdracht is voor contemplatieve gemeenschappen, terwijl het aanpakken van concrete noden eerder tot het specifieke domein van apostolische communauteiten behoort. Maar dat is niet noodzakelijk zo. Het klopt wel dat deze twee vormen van religieus leven in een verschillende verhouding staan tot de wereld. Om het scherp te stellen: contemplatieven stappen uit de wereld om samen iets te beleven dat ‘de andere wereld’ oproept. Maar zij roepen dan ook de buitenwereld binnen – kijk naar het grote belang dat contemplatieven hechten aan de gastvrijheid – om de mensen uit die wereld te laten meeproeven van wat zij zelf beleven.

De apostolische congregaties daarentegen gaan naar de wereld toe, maar in hun onderling samenleven schermen zij zich eerder af voor die buitenwereld. De nood om elkaar terug te vinden na een dagtaak in verspreide slagorde, verwordt echter gemakkelijk tot een verlangen om het onder elkaar goed te hebben. Wat het gevaar inhoudt dat men zich met de tijd iets te goed of te comfortabel settelt in het leven. Hun samenleven gaat dan, bij gebrek aan een authentieke evangelische levenswijze, de buitenwereld helemaal niet meer aanspreken. Dat gevaar is des te groter omdat heel wat apostolische congregaties, na het overnemen van hun oorspronkelijke werkterrein door de maatschappij, nog geen nieuw project hebben gevonden dat een gemeenschappelijke inzet in de wereld van vandaag kan dragen. Vaak is het nog zo dat iedereen een beetje zijn eigen weg zoekt.

Het gevaar dat de contemplatieven bedreigt, is dan weer dat hun getuigenis van een andere manier van samenleven de dialoog met de huidige wereld mist. Eerder dan een openheid te creëren naar een nieuwe toekomst, blijven ze dan steken in een gebondenheid aan een voorbijgestreefd verleden. Hun identiteit is echter minder gelinkt aan een tijdsgebonden apostolaatvorm, waardoor zij wellicht iets gemakkelijker zullen standhouden.

AUTHENTICITEIT IN DIVERSITEIT

In beide gevallen staat of valt alles met authenticiteit. Onze concrete levenswijze moet de zichtbare, en voor de wereld herkenbare vertolking zijn van het evangelie dat wij met onze mond belijden. De grotere persoonlijke vrijheid die in het religieuze leven van vandaag, heel terecht trouwens, aan de mensen wordt gegeven en gegund, maakt het echter minder gemakkelijk om tot een gezamenlijke authentieke levenswijze te komen. Er manifesteert zich immers, vanuit die vrijheid, een zekere diversiteit in het begrijpen van authenticiteit en van het evangelie zelf, waardoor bepaalde zaken niet meer zomaar kunnen opgelegd worden. Authenticiteit wordt op de eerste plaats persoonlijk beleefd. Wellicht moeten, ten gevolge van deze verschuivingen, de beleidsvormen serieuzer herdacht worden dan men tot hiertoe gedaan heeft. We moeten ruimte maken voor en vorm geven aan een efficiëntere horizontale oproep, die het mogelijk maakt in te gaan tegen een langzame vervlakking van onder uit. God roept steeds op vanuit het hart van mensen die openstaan voor zijn woord.

Onze paus, die het authentiek-zijn heel persoonlijk beleeft, nodigde tijdens zijn reis in Korea de religieuzen uit om die authenticiteit ook in hun gemeenschappen zichtbaar te maken. Die oproep mogen wij niet naast ons neerleggen. Het is de enige kans om als religieuzen te overleven. Als het zout zijn kracht verliest, wordt het beter weggegooid, en zal het door de wereld vertrapt worden.

 

Wauthier de MAHIEU