De Slaper

Drie eeuwen beheer van goederen en alles wat daarbij kwam kijken hadden ervoor gezorgd dat de abdij Roosenberg in het midden van de 16de eeuw beschikte over een rijk archief. Ontelbare bullen, oorkonden, cijns- en rentebrieven, kwijtschriften, pachtregisters, vonnissen van de vierscharen, stapelden zich op. Omstreeks 1540 werd in een register opgetekend dat dit archiefmateriaal voor een groot gedeelte ‘scoon, claer, onghecorrupteerd met volmaecten wassen seghele’ was. Maar er waren anderzijds ook talrijke stukken die onleesbaar waren geworden en overgeschreven moesten worden.

Daarbij moeten we voor ogen houden dat archieven destijds opgeslagen werden in onverwarmde vochtige vertrekken. Materiaal van perkament was daar enigszins tegen bestand maar papier, dat vanaf de 15de eeuw steeds meer werd gebruikt, leed daar onder en was ondermeer onderhevig aan schimmel die het materiaal en de inkt aantastte. Bovendien bestond het archief steeds meer uit pakken dooreengeworpen papieren en losse niet geïnventariseerde stukken. Deze bescheiden liepen na raadpleging het risico zoek te raken. Het probleem van het onoverzichtelijke en vergankelijke archief was overigens al lang bekend. Abdis Beatrix van der Bochaven deed daarom al in 1448 een ‘bouc van ghoederen’ opstellen. Maar dit register was beperkt; het was eigenlijk niet meer dan een opsomming van de eigendommen van de abdij. Documenten waarop de rechten en privilegies van het klooster stonden beschreven werden in dit register niet opgenomen.
Het waren juist deze rechten en privileges waarop de welvaart en goede bestuur van Roosenberg stoelde.

In 1542 besloot de toenmalige abdis Jozijne van Steelant dat er een nieuw allesomvattend overzicht van de goederen van de abdij gemaakt moest worden. Bij het voorbereiden van dit werk werd de abdis bijgestaan door de jeugdige en ondernemende zuster jonkvrouw Fransisca de Almarez, nicht van de Antwerpse burgemeester. In 1548 was men het eens over de opzet van dit register. De samenstelling ervan werd in handen gegeven van Jacob Wittock, priester en kapelaan te Sint-Niklaas. Waarschijnlijk had deze al eerder nieuwe banden met het klooster als biechtvader. Mogelijk assisteerde hij de ‘spijkervrouw’, bij de boekhouding en het beheer van het kloosterbezit. Zo begon men in 1548 met het opstellen van de Slaepere, later kortweg Slaper genoemd. Het woord ‘slaper’ betekende in het Middelnederlands letterlijk een rentebrief die zijn kracht heeft verloren omdat er niet tijdig mee gevorderd is.

In deze context duidt het op een boek of register dat niet telkens behoeft te worden bijgewerkt, dat kan blijven rusten of ‘slapen’. Het samenstellen van het register was een omvangrijk karwei en besloeg verscheidene jaren. Buiten de tijd die nodig was om de menigvuldige akten over te schrijven en te resumeren, ging menig uur op aan het verzamelen en ordenen van de documenten en het collationeren en rangschikken van de kopieën. Er waren ook veel beschadigde teksten die, nog nauwelijks leesbaar, hersteld, of wanneer dit niet meer mogelijk was, ontcijferd moesten worden. De Slaper van Roosenberg was pas klaar in 1557, een jaar na het overlijden van Jacob Wittock.

De Slaper is een kostbare oorkonde, een lijvig en zwaar register met de afmetingen van 37½ bij 26 cm. Het omvat 219 genummerde folios waarvan ongeveer 195 van mooi blank perkament. Later zijn daar nog een dertigtal folios van papier aan toegevoegd. Het lijvig en zwaar register telt dus ongeveer 440 pagina’s. Als men dit register heeft doorgestudeerd begrijpt men dat de religieuzen terecht in hun Necrologium bij het herdenken van Jacob Wittock’s overlijden aantekenen: ‘Deze dag is overleden de eerbiedwaardige heer Jacob Wittock, priester, pastoor van Verrebroeck en
eerste kapelaan van Sint-Niklaas, die ten prijze van menige slapelooze nachten, onverpoosden arbeid en grote behendigheid, de eigendomsbrieven der abdij welke verloren of verward waren heeft teruggevonden, en het overgrote boek heeft opgesteld dat we nu nog bezitten. Voor hem moet een jaargetijde met drie lessen worden opgedragen. De resultaten van het speur-, ordenings- en ontcijferwerk van Jacob Wittock werden vervolgens in het register opgeschreven, maar dat gebeurde niet door hemzelf. ‘De perkamenten paginas laten een fraai geschreven handschrift zien met rood opgesierde kapitalen. Het sierlijke en evenwichtige schrift is van de hand van een religieuze uit Gent, zoals blijkt op de laatste pagina waar te lezen staat: ‘desen bouc…was vulscreven in ’t jaer ons heeren XVcLVII van eender religieuze Suster Anna de Sorie… in ’t clooster van Sente Maria Magdalene binnen Ghendt. Bidt voor haer diet heeft ghescreven. Dat haer God verleene sin eeuwich leven’.

Op het eerste blad van de Slaper staat de lijst van de religieuzen die in 1548 in het klooster waren gehuisvest. Bij elke zuster, zowel de jonkvrouwen als de lekenzusters staat het officie of functie die ze vervulde. Dan begint de opsomming van de goederen te Waasmunster, verdeeld in twee categorieën: ‘de bivanghe en buten bivanghe’, vertaald naar hedendaags Nederlands: de goederen binnen het in die tijd nog omgrachte kloosterdomein, en de grondstukken daarbuiten maar nog binnen de parochie Waasmunster.

Vervolgens staan vermeld alle eigendommen, renten en tienden die het klooster in bezit had in de tegenwoordige provincie Oost-Vlaanderen, namelijk te Elversele, Tielrode, Sint-Niklaas, Nieuwkerken, Belsele, Sinaai, Lokeren, Daknam, Eksaarde, Moerbeke, Stekene, Sint-Pauwels, Vrasene, Beveren, Melsele, Zwijndrecht, Verrebroek, Haasdonk, Kruibeke, Bazel, Rupelmonde, Temse, Moerzeke, Hamme, Zele, Kalken, Aalst, Oordegem, Gent, Markegem; en in het tegenwoordige Zeeuws-Vlaanderen, namelijk te Axel, Beoostenblij, Hulst, Ser-Pauwelspolder en Saeftinge. De honderden stukken grond worden elk aangeduid met hun oppervlakte, de goederen die het afbakenen, de namen van de leenmannen of pachters en de vierschaar waar het ‘te wette gaet…’. De vierscharen waren bevoegd tot het uitspreken van vonnissen van lagere rechtspraak. Voor Roosenberg waren de vierscharen belangrijke instellingen want die hielden zich ondermeer bezig met geschillen over grondbezit, recht van passage over wegen en paden, pachtcontracten, conflicten bij grondruil en dergelijke. De beschrijving der tienden is zeer uitgebreid en beslaat voor elke parochie waar grondeigendom van Roosenberg lag verschillende folios. Bovendien is veel aandacht besteed aan de ‘wettelijke saertere’ (‘saertere’ betekent hier een charter, dus een officieel stuk dat een formele verklaring, een overeenkomst, een plechtige belofte of een verbintenis bevat). Inderdaad is, op enkele uitzonderingen na, voor elk stuk grond of elke rente ‘van woorde tot woorde’ overgeschreven, zelfs met aanduiding van het getal en de kleur van de zegels die aan de oorspronkelijke ‘saerters’ waren ‘uutgehangen’.

Toen men in 1548 begon met de samenstelling van de Slaper was de abdij, die toen dertig religieuzen huisvestte, op het hoogtepunt van haar materiële welvaart, voornamelijk dank zij haar uitgebreide grondbezit. Ook de parochie Waasmunster was, vergeleken met voorgaande en latere perioden, relatief welvarend. Ze telde in het midden van de 16de eeuw bijna 200 boerderijen,
waarvan een meerderheid slechts een klein lapje grond bewerkte, maar sommige bedrijven strekten zich uit over enkele tientallen hectaren. De overgrote meerderheid van de ongeveer 750 inwoners van de parochie bestond uit boeren. Daarvan leefde in 1548 meer dan de helft van veeteelt op grasland. Sinds het begin van de 16de eeuw was men zich wel steeds meer gaan toeleggen op landbouwteelten zoals granen en zelfs intensieve teelten zoals groenten en fruit waarvan de producten afzet vonden in steden als Gent en Sint-Niklaas.

De nieuwe vormen van exploitatie en gronduitgifte die op de boeren betrekking hadden maakten een nieuwe inventaris nodig. In 1548 hadden honderden pachters een bestaan op het grondbezit van Roosenberg. Met de pacht (uit het Latijnse ‘pactus’) was in de late middeleeuwen in heel WestEuropa een nieuwe instelling in het landbouwleven ontstaan. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden vond de pacht in stijgende mate toepassing. Zij verschilt grondig van het tot dan toe overheersende regime van gronduitgifte dat, onder diverse vormen, bestond uit een eenmalige verlening van te bewerken grond tegen een onveranderlijk bedrag en in principe voor het leven. Dit systeem vereiste slechts een oppervlakkige boekhouding van de zijde van de grondeigenaar. De pacht daarentegen is een contract, afgesloten tussen pachter en eigenaar, waarvan het bedrag en de duur door wederzijds onderhandeling kunnen worden bepaald en gewijzigd. Onder invloed van de stedelijke geldeconomie ging het hierbij steeds meer geldpacht, in tegenstelling tot de vroegere jaarlijkse betaling die bestond in levering in natura van een gedeelte van de opbrengst, meestal de helft. Het pachtcontract, samengesteld voor kortere termijnen, en met wisselende geldbedragen, vereiste allereerst een goede inventaris van de gronden en dat beoogde de Slaper.

De Slaper werd niet alleen samengesteld om de complexe boekhouding van de abdij weer enigszins overzichtelijk te maken. Hij diende ook om het grondbezit van de abdij duidelijk en onomstreden af te bakenen binnen het ingewikkelde bestuurskader van die tijd. Waasmunster was een van de 19 dorpen onder de Keure van het Land van Waas, toebehorend aan de graaf van Vlaanderen. Met Elversele vormde het een rechtbank, samengesteld uit 7 schepenen, waarvan vijf bij Waasmunster en twee bij Elversele behoorden.

Sedert onheugelijke tijden bezat de bisschop van Doornik daar herenrechten. Het ‘schoutheetdom’ of baljuwschap Waasmunster, behoorde, samen met dat van Lokeren en Daknam, van oudsher toe aan de oeroude Wase familie Van Lokeren, die later bekend stond onder de naam De Schoutheete. Met die familie had de abdij generaties lang uitstekende verhoudingen; er was wederzijds respect en men komt in de archieven van de abdij nagenoeg geen betwistingen over grondbezit tegen. Maar met de dood van Jan van Schoutheete de Zaamslag in 1535, – zijn huwelijk met Catharina Bacx bleef kinderloos – ging het baljuwschap van Waasmunster en omstreken naar zijn bloedverwant Florent de Mortaigne. Deze had met de streek weinig banden en verkocht het schoutheetdom al in 1538 aan Jan Hannaert, burggraaf van Brussel en geheimschrijver van Karel V. Deze ambitieuze persoonlijkheid streefde naar uitbreiding van zijn invloed in het gebied en de zusters van Roosenberg moesten hun bezit nauwlettend onder controle houden.

Daarnaast behoorde een deel van Waasmunster toe aan de heerlijkheid Beveren. Bovendien bevonden zich op het grondgebied van Waasmunster een twintigtal heerlijkheden en lenen die afzonderlijk werden bestuurd zoals Pontrave, Ten Rijen, Van Roden en Sombeke. Voor de abdij reden te meer dus om binnen deze verwarrende bestuurlijke structuur iedereen duidelijk te
maken wat ‘mijn en wat dijn’ was. Pas met de Franse bezetting kwam er definitief een einde aan dit ingewikkelde feodale stelsel en werd Waasmunster ingedeeld bij het arrondissement Dendermonde.

De Slaper moet nog in een andere context worden bezien. In 1548, het jaar waarin men er aan begon, was de Geuzentijd in volle gang. Het was een periode van verwoestende godsdienstberoerten en -oorlogen waarvan Waasmunster niet gespaard bleef. Al vanaf 1519 werden te Antwerpen en kort daarna te Gent geuzenpreken gehouden. De abdij moet zich in die tijdgeest onveilig hebben gevoeld en gevreesd hebben voor haar materiële basis. Reden te meer haar goederen te inventarissen zodat elke discussie over grondbezit met een duidelijk register weerlegd kon worden. Een van de geliefkoosde thema’s van de protestanten was immers het uitvallen tegen de rijkdommen van de Kerk. Het zou de voorloper zijn van plundering en beeldenstormerij. Zo prikkelden sommige protestantse predikanten de hebzucht van het volk dat hen kwam toejuichen en stilaan werd opgeleid tot plundering en beeldenstormerij. Zou het zover komen, dan vielen religieuzen van kloosters zoals Roosenberg, op het platteland gelegen en onverdedigbaar, weerloos ten prooi aan onrechtmatige protestantse toeëigeningen. Dat het rumoerige tijden waren blijkt wel uit het feit dat veel abdijen toen in nabijgelegen steden een ‘huis van refugie’ hadden, om daar in beroerde tijden een schuilplaats te vinden en op rustiger dagen te wachten. Met die bedoeling kocht zuster de Almarez van Roosenberg in 1554, toen nog volop aan de Slaper werd gewerkt, een huis gelegen te Gent achter de Vrijdagmarkt. Gelukkig moest deze ‘refuge’ te Gent niet als toevluchtsoord gebruikt worden en konden de zusters te Roosenberg blijven.

De Slaper heeft nu vooral betekenis als bron voor genealogisch onderzoek in het Land van Waas en het aangrenzende Zeeuws-Vlaanderen. Men vindt in het register een groot aantal personen: pachters, eigenaars en aangrenzende buren. Ook onderlinge verwantschappen, soms over drie generaties, zijn er uit af te leiden. Er worden personen vernoemd met hun vader en grootvader,
of met hun echtgenoot of echtgenote. Zo kan men vanaf ca. 1550 soms twee of zelfs drie generaties in de tijd teruggaan, dus tot personen die geboren zijn in de tweede helft van de 15de eeuw. Veel personen in de Slaper zal men ook tegenkomen in de hoofdcijnsboeken; een unieke genealogische bron in het Land van Waas. Dank zij de Slaper is het mogelijk veel hoofdcijnsplichtigen te lokaliseren omdat hun woonplaatsen zijn weergegeven. Aanduiding van de grootte van het areaal landbouwgrond dat de pachters en eigenaren bewerkten geeft inzicht in hun welvaart. In dit verband is er ook aansluiting met de Penningkohieren uit de tweede helft van 16de eeuw, registers die, dank zij de inzet van enkele genealogen uit de Kring VVF Land van Waas, bewerkt en toegankelijk gemaakt worden.

De Slaper is dus geenszins een geïsoleerd document. Het geeft, in genealogisch opzicht, inzicht in de periode 1550 en vroeger, maar anderzijds is het ook een uitgangspunt voor onderzoek naar recentere generaties. In dit verband is het nuttig te wijzen op recentere stukken en registers uit het archief van de abdij Roosenberg. Tot voor kort bevond dit materiaal zich in het Rijksarchief Gent, maar is nu gedeponeerd in het Rijksarchief Beveren.

Het is er geklasseerd onder de rubriek Kerkelijke Archieven. Hieronder de voor aansluitend genealogisch onderzoek relevante titels uit het archief Roosenberg:

7. Slaperken. Register van grondrenten en landboek, 1690-1691.

8. Register betreffende alle onroerende goederen als huizen, gronden, weiden, tienden enz. 1744-1791.

9. Uittreksels uit landboeken van verschillende gemeenten betreffende de abdij van Roosenberg, 1550-1781.

10. Renten te Hulst, 16de eeuw.

11. Bezettingen en overdrachten van renten, 1637-1788

12. Register van grondrenten en heerlijke renten, 1644-1760.

13. Renteboek, 1648-1683.

14. Register van grondrenten en heerlijke renten, 1697-1769

15. Register van grondrenten en heerlijke renten, 1687-1733

16. Erf- en lijfrenten, 1687-1736.

17. Register van grondrenten en heerlijke renten, met tafel, 1719-1790.

18. Renteboek met tafel, 1736-1793.

19. Register van grondrenten en heerlijke renten, 1769-1795.

20. Cijnspachtcontracten, 1627-1788.

21. Diverse stukken betreffende de tienden, 1649-1763.

36. Pachtcontracten, originelen en kopieën van de eigendommen gelegen te Axel, Bazel, Beoostenblijde, Elversele, Hamme, Sint-Anna, Hulst, Lokeren, Markegem, Melsele, Moerbeke-Waas, Moerzeke, Nieuwkerken, Oordegem, Sint-Pauwels, Zwijndrecht, 1551-1796.

37. Pachtboeken, 1646-1724.

40. Pachtcontracten, originelen en kopieën, van goederen te Belsele en Sinaai, 1704-1796.

41. Idem te Sint-Niklaas, 1720-1795.

42. Idem te Waasmunster, 1727-1796.

43. Stukken betreffende de goederen, 1482-1793.

44. Denombrementen van goederen in het ambacht Hulst, 1486-1793.

45. Akten van aankoop en verkoop van eigendommen, 1553-1748.

46. Papieren betreffende de goederen te Moerzeke, 1629.

47. Land- of metingboek van de parochie Ser-Pauluspolder in het ambacht Hulst, 1711, 1716, 1743.

48. Register van grondrechten op de goeden in het Land van Waas, 1738-1768.

49. Namen van de pachters van de goederen van de abdis gelegen in de SintPauwelspolder, 1761-1794.

In het Rijksarchief van Beveren bevindt zich overigens ook een afschrift van de Slaper van Roosenberg. Het is een manuscript uit de 18de eeuw en is genummerd: